Afgelopen tijd heb ik bij veel verschillende gelegenheden improvisatie beoordeeld. De ene keer stond er wat meer op het spel, de andere keer wat minder, maar het is hoe dan ook een uitdaging om een eerlijke en goede beoordeling te geven van iets wat zo divers en van het moment afhankelijk is als improvisatietheater. In deze blog meer over wat mij daar wel en niet bij geholpen heeft.
Als speler en trainer heb ik me lange tijd niet zo heel veel bezig gehouden met het beoordelen van improvisatie. Ik had natuurlijk wel een mening, maar daar hing doorgaans weinig vanaf. Rechteren bij een ‘gewone’ theatersportshow telt wat dat betreft niet echt mee, zelfs niet als er ‘serieuze’ punten gegeven worden. Hooguit als er nieuwe spelers wilden aansluiten bij een groep waar ik lid van was, stond er wat op het spel. Maar dan was er na afloop van meespeeltrainingen of audities altijd een groepsdiscussie, waarin mijn mening maar één van de vele was. De afgelopen tijd is dat veranderd.
Om te beginnen ging ik zo’n twee jaar geleden als docent aan de slag bij TarTrek, met 90 leden één van grootste improvisstieverenigingen van Nederland. Een vereniging bovendien met verschillende groepen die min of meer naar niveau zijn ingedeeld. En tja, iemand moet dat niveau helpen bepalen en logischerwijs is dat een taak voor de dienstdoende docent. Die vult na een semester lesgeven een uitgebreid formulier in over alle spelers en combineert dat met feedback in de les. Van een andere orde is het jureren/rechteren op een toernooi. Dat deed ik afgelopen seizoen tweemaal: Eerst op het Nederlands Studenten Kampioenschap theatersport (NSK) en vervolgens op het Nederlands Theatersport Toernooi (NTT). Op beide toernooien beoordeelde ik onder meer een halve finale. Dan staat er voor de deelnemende teams toch maar mooi een finaleplaats op het spel. Zeker op het NTT is die druk voelbaar. Zelf heb ik als speler twee keer in een halve finale gestaan (eenmaal gewonnen en eenmaal verloren, na een gelijkspel nog wel) – dus dat herkende ik bij de teams. Maar ook voor de juryleden speelt dat mee. Onlangs was ik bovendien trainer en jurylid bij de voorronde van IMPRO Amsterdam. Als onderdeel van de Nederlandse cast op het podium staan tijdens één van de grootste festivals van Europa is voor veel spelers een droom. Dat maakt de druk tijdens de selectie-workshops en voorstelling ook hier groot.
Criteria & systemen
Kortom, ik heb inmiddels aardig wat ervaring opgedaan met het beoordelen van improvisatie. Ik moet zeggen: over het algemeen is me dat heel goed bevallen. Ik heb weinig tot geen vervelende reacties of discussies gehad, terwijl ik toch onvermijdelijk mensen heb teleurgesteld. In alle gevallen kreeg ik van de organisatie criteria mee. De ene keer de klassieke thema’s Inhoud, Techniek & Amusement(/Emotie), onderverdeeld in aandachtspunten. De andere keer een uitgebreide lijst met zes hoofdcriteria, ook weer onderverdeeld in deelvaardigheden. Een derde variant is een meer beknopt lijstje met criteria.
Hoe logisch dat ook is als je streeft naar een eerlijke, objectieve en onderbouwde beoordeling: mij heeft het als beoordelaar niet echt geholpen. Ik heb met verschillende systemen gewerkt en niet één daarvan springt er voor mij uit of gaf mij het gevoel: ja, precies ,zo moet het! Ik hoef het alleen nog maar in te vullen en tadaa: de perfecte uitslag. Dat ligt volgens mij niet aan de systemen en criteria zelf, daar is doorgaans goed over nagedacht door mensen met verstand van zaken. Ik denk dat het eerder komt doordat elk systeem wel ergens tekort schiet. Heel vaak veranderen de systemen en criteria ook regelmatig, in de hoop dat het nieuwe systeem beter voldoet. En dat komt misschien een stapje dichterbij, maar is nog steeds faalbaar. Dat blijft het volgens mij ook, want ga maar na:
- De beoordeling blijft hoe dan ook (deels) subjectief. Je kunt criteria opstellen wat je wilt, maar impro beoordelen is nou eenmaal geen exacte wetenschap. Uiteindelijk draait het om de vraag: wat was het beste team of hoe goed is de deze speler?
- Lijsten zijn nooit volledig. Of je nou alleen globale thema’s aan de jury meegeeft of een uitgebreide opsomming van gewenste vaardigheden, er is altijd wel een relevant onderdeel te verzinnen wat er nog niet op staat. Improvisatietheater kent zoveel vormen en facetten dat een complete lijst bovendien onwerkbaar zou zijn.
- Er zit een ongrijpbaar element in improvisatie. Net als bij andere kunstvormen – van muziek tot beeldende kunst – is het geslaagd als de som meer is dan het geheel der delen. Er zijn impro-spelers en teams die alles ‘goed’ doen maar niet zo boeiend zijn om naar te kijken. Omgekeerd zijn er spelers en teams die heel veel dingen ‘fout’ doen maar juist geweldig zijn op het podium. Zelfs met brede criteria als ‘de theatrale beleving’ of ‘likeability’ is dit niet echt te ondervangen.
Wat werkt?
Een beoordelingssysteem of lijst met criteria heeft mij persoonlijk als beoordelaar dus niet echt geholpen. Wat voor mij wél werkt en ervoor heeft gezorgd dat ik er tot nu toe met een goed gevoel op terugkijk, is het onderling contact.
- Te beginnen met het contact met de organisatie, die bij voorkeur helder voor ogen heeft wat er van de beoordelaar wordt verwacht en ze steunt en vertrouwen geeft. Daar heb ik zonder uitzondering fijne ervaringen mee.
- Daarnaast het contact met de deelnemende spelers. Niet te close of klef met bevriende spelers of teams, want je wilt niet de indruk van partijdigheid wekken, maar wel in een goede, sportieve sfeer en met wederzijds respect. Natuurlijk spelen er soms emoties – dat mag ook – maar onder aan de streep moet je als speler een uitkomst kunnen accepteren en als jurylid een uitkomst kunnen uitleggen. Daar kan zo’n beoordelingsformulier misschien handig bij zijn, maar het mag naar mijn mening niets iets worden waar je je achter verschuilt. Persoonlijk put ik liever uit mijn eigen observaties, kennis en ervaring als ik een beoordeling uitleg.
- Tot slot helpt het enorm om goede collega-juryleden te hebben. Waarmee je van mening kunt verschillen, maar die elkaar ook steunen en adviseren als dat nodig is. Wat dat betreft heb ik als beoordelaar tot dusverre geluk gehad met de collega’s waar ik mee heb samengewerkt bij het beoordelen (niet geheel toevallig te zien op de foto’s bij deze blog).
Mensenwerk
Mijn conclusie is dan ook dat het mensenwerk blijft. Deskundige beoordelaars die goed contact hebben met de organisatie, de deelnemers en elkaar komen uiteindelijk met een goed oordeel waar deze meeste mensen zich in kunnen vinden. Net zoals beoordelaars met onvoldoende verstand van zaken en/of slecht contact met de mensen om zich heen vaker met een onbevredigende beoordeling voor de dag komen. Daar kan geen systeem of formulier tegenop.
Boven: Anja weet de uitslag al / Onder: Stefan heeft een boterham


