‘Laat elkaar schitteren’, kent u die uitdrukking? Vast wel. Vooral als je rond of na het jaar 2000 met Theatersport begonnen bent is het je waarschijnlijk ingeprent. Toen ik in 1990 begon met Theatersport bestond deze mantra nog helemaal niet. En terecht.
Er waren begin jaren negentig maar een paar theatersportverenigingen en we kwamen elkaar zeer regelmatig tegen. Maar geen van de spelers had het over ‘de ander laten stralen’. Totdat rond de eeuwwisseling deze uitdrukking in zwang kwam. Wie het geïntroduceerd heeft weet ik niet, het is helemaal aan me voorbij gegaan. Misschien zat ik dat moment net op de wc terwijl een impro-speler deze term terloops introduceerde na zijn vijfde borrel en is het toen gaan rondzingen binnen impro-land. Plotseling zag ik het op allerlei improvisatiesites de kreet voorbij komen. Dan lees je iets over de spelers van een theatersportvereniging en de unique selling points komen je tegemoet. ‘Als Marieke gaat zingen…’, ‘Marcel is de jonge hond met briljante ideeën ‘, ‘Eva kan wel 10 verschillende typetjes spelen’ enzovoort.
Hartstikke fijn allemaal. Weet je waar je aan toe bent als je naar hun voorstelling gaat. Spelers doen waar ze goed in zijn, waar ze in kunnen schitteren. Een lachende zaal, complimenten na afloop. Wat wil je nog meer? De mens verlangt naar positieve gevoelens. Zo’n theatersportvoorstelling is gewoon een goede boost voor je ego. Je maakt lekker endorfinestofjes aan als het een goede avond is geweest. Hoef je niet meer te joggen de volgende dag. Je hebt een feestje gebouwd. Jij tevreden en het publiek tevreden.
Stoppen
Zelf heb ik ook jaren op deze rush geleefd tot het me tegen begon te staan. Wist precies met welke games we het publiek konden laten bulderen. Maar na een tijdje was de magie over. Ik begon me te ergeren aan het publiek. Jullie lachen wel erg makkelijk, dacht ik vaak. Het lijkt wel of het publiek en de spelers elkaar in de houdgreep hebben. Toen een toeschouwer in de pauze vroeg of ik weer die ene game ging doen want die vond hij altijd zo leuk was mijn grens bereikt: tijd om met theatersport te stoppen.
Weg creativiteit
En wat heb je geleerd, Old Grumpy Man? Wat is je weerstand tegen de zin ‘Laat je medespeler schitteren’? Alles! Omdat deze overtuiging jouw creativiteit de nek omdraait. Als je uitgangspunt is een voorstelling te maken waar je elkaar in laat schitteren, dan maak je het jezelf nogal moeilijk. Alsof schittering een continue gegeven is waarin je kan vertoeven! Alsof een theatersportvoorstelling continu piekmomenten heeft. Niet erg realistisch. Impro is steeds een zoektocht met zijn ups en downs. Dat maakt het waarachtig.
Impro is als het echte leven. Soms zit je in een flow en vind je elkaar blindelings als spelers en eet het publiek uit je hand. Een andere keer gaat het stroef, je begrijpt elkaar niet en kunt het publiek moeilijk bereiken. Geniet als je in de flow zit en wees manmoedig als je in een faalmoment zit. Het is geen lekker gevoel, maar je reputatie hangt er niet van af. Als het een keer niet gaat, betekent dat niet dat je een slechte impro-speler bent maar dat je op dat moment teveel in je hoofd zit. Dat je niet openstaat voor het spelaanbod van je medespelers. Dat is natuurlijk nogal lastig als je wilt schitteren.
Artistiek proces
Als je uitgangspunt is dat je wilt schitteren en je medespelers wilt laten schitteren, dan zal je de neiging hebben om dingen te doen die je vertrouwd zijn. Daardoor ga je op routine draaien en niet meer onontgonnen paden betreden. Kies je voor goedkeuring van het publiek of kies je voor je eigen artistieke proces? Ik hoorde niet zo lang geleden dat twee spelers een scene speelden waarin ze zakken chips aten. Plots stopte een van de spelers omdat hij besefte dat ze deze scene al eerder hadden gespeeld. Hulde, ze kozen voor hun artistieke proces. Met het gevaar dat de scene misschien minder zou gaan lopen.
Schitteren is geen doel van impro maar een neveneffect van het spel tussen de spelers, die onvoorbereid de scene binnen stappen en waarachtig verrast worden door wat ze gespeeld hebben. Theatersport-grondlegger Keith Johnstone zegt ook: ‘wees geïnteresseerd in elkaars spelaanbod’. Dus wees als twee ontdekkingsreizigers die alles voor het eerst mee maken. Daarom vind ik het net beginnende spelers zo leuk om naar te kijken. Omdat ze oprecht verrast zijn door wat ze gecreëerd hebben.
Vuur aan de schenen
Wat ik leerde toen ik begon met theatersport was om het je medespeler het lastig te maken, het vuur aan de schenen te leggen. Als daad van vriendschap. Waarom, je moet elkaar toch een fijne tijd gunnen op het podium? Je stelt je medespeler in staat om psychisch in actie te komen, om zo zijn eigen waarheid te vinden. Zijn eigen innerlijk gaat exploreren en tot expressie kan brengen. Waardoor hij of zij kan gaan schitteren.
Een clownsdocent zei ooit: ‘Zie je medespeler als geniaal’. Dat vind ik wel een mooi uitgangspunt. Omdat er dan een soort onvoorwaardelijk vertrouwen is in elkaar. Elke spelimpuls die dom lijkt of een blokkade vormt, wordt dankbaar aanvaard omdat het nieuwe mogelijkheden geeft. Alles is mogelijk als je vanuit dit punt start. Je kan niks fout doen. Dus ik stel voor om elkaar voor de voorstelling in de ogen te kijken en te zeggen: ‘je bent geniaal’. Veel makkelijker dan een halfslachtige poging om een staat van continue schittering te forceren bij je medespeler.
