Ik hou van zwarte humor. Hele zwarte humor. Mijn hele leven al. Dat heb ik denk ik van mijn vader. Die is nog zwartgalliger dan ik. Als kind smulde ik al van ‘South Park‘, ik gier bij cartoons van ‘Cyanide & Happiness‘ en Gummbah, en als De Vliegende Panters in het lied ‘Het blanke ras is superieur’ zingen: ‘Zij kunnen rennen, wij hebben cultuur‘, dan pies ik bijna in m’n broek.

In de bijna elf jaar dat ik actief ben als theatersporter heb ik al menig grap gemaakt over religie, rassenscheiding, oorlog, ongelijkheid etc. Ook is een beetje zelfspot mij niet vreemd. Ik mag graag grappen maken over mijn “zandloperfiguur†en kont als bijzettafel. Je moet immers ook kunnen incasseren als je verbale klappen uitdeelt.
Enge ziektes schuw ik ook zeker niet op het podium. Zo ook niet de avond van 12 januari, toen ik een longform speelde met “mijn†theatersportvereniging ‘Moeders Mooiste’. In deze ‘Feelgood Failure’ speelde ik het dommige en onsympathieke hulpje van de antagonist. Deze slechterik wilde de protagonist op laten draaien voor mijn werkshift in de avond, zodat hij met mij uit eten kon.
De scène verliep ongeveer als volgt:
Antagonist: ‘Haar moeder is ziek, dus jij moet werken.’
Protagonist: ‘Och, wat erg!’
Ik: ‘Ze heeft kanker. KANKER ZEG IK JE!’
Waarna een opzichtige en zwaar overdreven huilbui volgde met een aantal betekenisvolle blikken richting het publiek en naar de antagonist.
Ik merkte dat het publiek, op een paar mensen na, het stukje niet grappig vond, dus ik beschouwde het maar als mislukt. Mijn doel was in mijn ogen wel bereikt: Ik was immers nog onsympathieker geworden door een vreselijke ziekte te gebruiken als excuus om uit eten te gaan.
Na de voorstelling kraaide er geen haan naar en ik kon rustig aan het bier. Case closed, dacht ik…
Een week later..
Een week later dronk ik een borrel met een bevriende medespeelster die de betreffende voorstelling had gefilmd. Ze vertelde me dat deze longform geen daverend succes was (mee eens) en dat een aantal zaken in het stuk erg awkward aanvoelden. Door de manier waarop ze het zei, had ik in de gaten dat het te maken moest hebben met iets wat ik gedaan of gezegd had.
Ik begon te graven in mijn geheugen en er begon mij iets te dagen. ‘Volgens mij weet je wel wat ik bedoel,‘ zei ze en ik voelde de bui al hangen.
‘Ik denk dat je het hebt over de kanker-grap…’
Bingo!
De vorm die we speelden, vond zij, verliep al behoorlijk rommelig. Daardoor zaten mensen niet per se in de lachsfeer en vielen de mensen die ‘Oei’ of ‘Oh oh!’ riepen extra op. Mede daardoor viel de rest van het publiek ook stil en leek niet meer te durven reageren. Daarnaast kwam de grap uit het niets en was er dus te weinig aanloop om de grap goed te laten vallen.
Mijn gesprekspartner vond de grap eigenlijk heel komisch, maar had na de voorstelling wel mensen gesproken die het totaal ongepast vonden. Ik stond hier wel even van te kijken, aangezien het nooit mijn bedoeling was geweest om mensen met kanker belachelijk te maken en voor schut te zetten in een middelmatige voorstelling. Ik werd overspoeld door een mengeling van schaamte en verwarring en kon me bijna niet voorstellen dat mensen zich écht persoonlijk geraakt konden voelen door mijn opmerking. Toch..?
Ik vroeg in de auto op de terugweg naar huis aan mijn vriend om wijze raad.
Ik: ‘En als ik nou ‘aids’ had gebruikt. Had het dan wel gekund?’
Hij: ‘Ja, denk ik, maar niet in de jaren 80.’
Ik: ‘Een een gezwel dan?’
Hij: ‘Nee, niet grappig.’
Ik: ‘Maar kanker kan niet?’
Hij: ‘Komt teveel voor, dus komt te dichtbij.’
Ik vroeg ook nog een andere theatersportvriendin naar haar mening. Zij was heel duidelijk: ‘Je moet overal grappen over kunnen maken. Mijn moeder heeft net kanker gehad en ik betrek dit toch ook niet op mezelf? We zijn veel te kleinzerig met z’n allen! Humor is toch juist een manier om uit te vergroten, te ridiculiseren en te persifleren? Waarom zouden we dit bij theatersport niet in mogen zetten? En daarnaast kan grofheid heel leuk zijn, mits het iets toevoegt.’ Weg met de vertrutting en op de barricaden, dus.
Waar ligt de grens?
Een zijtak van deze discussie is de functie van de rode kaart die door rechters in theatersportwedstrijden wordt getrokken. Deze kaart wordt over het algemeen gebruikt om beledigend gedrag in wedstrijden af te straffen. Maar zouden we eigenlijk wel moeten straffen op het podium? Waarom mag een rechter bepalen wat wel en niet kan in een voorstelling? Zou een goede speler niet zelf aan moeten voelen hoe een zaal reageert en daar op anticiperen? Toen ik merkte dat mijn grap niet goed viel, paste ik immers ook mijn gedrag op het podium aan.
Nu vraag ik mij oprecht af; Waar ligt de grens bij theater(sport)? Of is er geen grens? Kunnen we alles zeggen wat we willen zeggen, of blijven we (te allen tijde?) rekening houden met ons publiek? Ik ben benieuwd naar de meningen van andere theatersporters.
Ik sluit dit stuk af met mijn favoriete zwarte raadsel: Wat is de overeenkomst tussen een tweeling en een familiegraf?
Het antwoord geef ik je vast nog wel eens een keer.